Overnachting

Je kunt gerust blijven hoor, ik kan zo het bed voor je opmaken in de andere slaapkamer, probeer ik, voorzichtig. “Nee, ik ga straks naar huis, wil je me dan naar het station brengen? Ik neem de trein van half negen, dan ben ik nog een beetje op tijd thuis.” Tuurlijk breng ik je, anders kom je er niet. Je had gelukkig mijn uitnodiging aanvaard en we hebben een fijne dag achter de rug, al heb ik er een beetje rekening mee gehouden dat je een nachtje blijft. We wandelen langs de vloedlijn, grotendeels zwijgend, af en toe arm in arm. Je pakt zo nu en dan een mooie schelp op, die in je jaszak verdwijnt. Ik fotografeer een meeuw op een paalhoofd. Jij wil niet op de foto. ”Ik zie er niet uit, hou op!” Je ziet er schitterend uit. We lopen terug over de duinen, pratend en lachend. Ik heb een eenvoudige lunch voorbereid die we genieten onder het afdak, in de zon. Met twee stoelen erbij geschoven, zodat we een ligbed improviseren, laten we elkaar even de tijd. Binnen tien minuten zijn jouw ogen gesloten. Ik pak de krant en merk na een uur dat het daarbij is gebleven. Een aantal pagina’s is weggewaaid. Tegen het eind van de middag rijden we naar het dorp, we parkeren de auto en steken het duin over naar ‘De Zeemeeuw’. Terwijl jij even naar de wc gaat, vind ik binnen een plekje en leg een kussentje op de stoel waar je straks gaat zitten. Je komt terug en besluit dat we buiten gaan zitten. “Kom! Het is nog lekker, kom!” Ik volg haar. Natuurlijk volg ik haar. We zien de zon op pad naar de horizon, ik zie jou oplichten in het dimmende schijnsel. Het valt me op dat je je telefoon nauwelijks bekijkt, je ontspant letterlijk hier. We bestellen beiden spaghetti alla carbonara. De suggestie van de ober om één schaal neer te zetten wijzen we gelijktijdig resoluut af, waarop we elkaar verbaasd aankijken en het uitproesten van het lachen. “Wil je liever een lepel?” Nee, dank je, het moet kunnen met alleen een vork. “Oké.” Je veegt met jouw servet iets van mijn wang. Tijdens een cappuccino, vergezeld van een ’43’, verdwijnt de dag en wordt het tijd je naar het station te brengen. We zeggen niets, het is een rare stilte. Het treinstel wacht. Een innige omhelzing, ik kus je wang. Je fluistert gesmoord: “Dank je wel voor de fijne dag!” Ik hou je vast. Nog een kusje op je wang, ik pak je hand en houd die heel even vast. Een kneepje heen en eentje terug. Dag lieverd! De conducteur meldt het aanstaande vertrek. Ik mis je nu al, dikke keel, natte ogen. Je stapt de trein in, kiest een coupé en gaat zitten, bij het raam aan mijn kant. We kijken elkaar aan en terwijl de trein gaat rijden zwaai ik naar je. Ik hou van je! Mijn verbeelding vertelt me dat je ziet wat ik zeg. De intercity accelereert, de rode lampen verworden tot speldenknoppen. De volgende stop is een paar kilometer verderop, daarna kan ie echt vaart maken. Ik denk er niet te lang over na en draai me om richting de uitgang. Er is verder niemand. De trein is weg met jou, ik heb je laten gaan. Een zoute traan bereikt mijn bovenlip, mijn tong proeft de zee waar we langsliepen. Dromend van de voorbije dag, rijd ik rustig terug, de tranen volgen elkaar in rap tempo op. Waarom bleef ze niet? Ik zucht maar eens. De tuinstoelen staan nog net zo en voordat ik ga zitten, pak ik een biertje uit de koelkast. Twijfelend grijp ik mijn telefoon. Zal ik een appje sturen om je te bedanken of een goede reis te wensen en welterusten voor straks? Ik doe het niet of tenminste, nu nog niet. Even voor me uit staren. Op de camping keert de rust weder, voor een zaterdag is het zelfs vrij rustig. Hoe ik morgen door ga komen? Geen idee. Boekje lezen, serie kijken, even naar het strand en vooral jou missen. Overal. Dat laatste gevoel neemt in alle heftigheid toe. Waarom drong ik niet iets meer aan op dat je zou blijven? Het antwoord wist ik al: ik wilde je nergens toe dwingen of je verplicht laten voelen en bovendien, dat werkt averechts. Zit ik nu vanwege die eigenschap alleen op twee stoelen? Het lege flesje zet ik in het tuinhuisje, pak een tweede en ga weer zitten. Geen mogelijkheden meer, denk ik. Friendzoned. De knuffel bij het afscheid was hartelijk en we hebben een prachtige dag beleefd. Het eindigde met een kater in plaats van met een poesje. Dat klinkt ranziger dan ik het bedoel, denk ik meteen. Sukkel. Ik weet niet goed waar ik kijken moet, neem een flinke slok en steek een sigaret op. De uitgeblazen eerste hijs vervuilt de frisse lucht die uit zee over de duinen de camping ontdoet van de laatste kookluchtjes. Niet dat zeelucht hier gezond is trouwens. Ogenschijnlijk kalm loop ik een rondje om het perceel waarin het vakantiehuisje staat, in die tijd verandert er niets. Ik ga weer zitten, zuchtend en twijfelend. Terwijl ik weer mijn telefoon pak zie ik in een ooghoek een schaduw langs de auto bewegen. Ik sta op. “Hoi”, zegt de schaduw en vliegt me om de nek. Maar … Je sust me en kruipt bij me op schoot en knuffelt me fijn. Ik doe mee. “Stel geen vragen, ik weet het antwoord ook niet.” Je glijdt van me af en pakt je tas, “Even plassen”, in de loop voeg je toe: “Het voordeel van de OV-Chipkaart is dat ik niet de hele reis al heb betaald.” Aan zoiets praktisch denken op dit moment typeerde haar. Wijntje?, stel ik voor in een poging bij zinnen te komen, terwijl ik bedenk dat de taxirit wel iets gekost moest hebben. Ook heel praktisch. Terwijl je naar de wc gaat, schenk ik een glaasje Sauvignon Blanc in en trek meteen een dekentje van de bank. Het duizelt me, van bedroefd en vertwijfeld naar opgelucht en opgetogen. Dat de avond deze wending neemt is een droom. Ik heb te weinig gedronken om te weten dat ik niet in slaap ben gevallen en hallucineer van iets dat toch nooit zou gebeuren. “Heb je een dekentje voor me … O, ik zie het al! Wat ben je toch lief. Je keek vanmiddag zo beteuterd toen we buiten gingen zitten, je had al een kussentje voor me klaargelegd zeker?” Je kijkt door me heen. Ik reik je je glas aan. “Dank je wel, cheers!” Zachtjes tikken we de glazen tegen elkaar en nemen een slok. Ik grijp het pakje peuken van de tafel. Wil je er ook een? “Ja, lekker!”, en je pakt een sigaret. Het aangeboden vuurtje weiger je. “Geef maar.” O ja, dat kan ze zelf. “Weet je wat het is?” Je stelt een vraag die je zelf gaat beantwoorden, terwijl je rook in de richting van de maan blaast, die op gepaste afstand bleef. “Je hebt mij gerespecteerd door niet aan te dringen en daarmee, bedoeld of onbedoeld, ik denk onbedoeld, me het zetje gegeven, dat ik van je kan houden als meer dan een vriend.” Ze legt een liefdesverklaring af vriend, meldde mijn gevoel. Ik tikte mijn sigaret af, de as dwarrelde naar beneden. Ik snap het … en het klinkt fijn, het ligt iets anders, denk ik. “O, wat dan?” Mijn reactie verwart je, zie ik. Ik denk we elkaar vanaf de derde ontmoeting niet of niet meer durfden te zeggen dat we verliefd waren, for whatever reason. Ik durfde het niet en ontkende het mezelf in alle toonaarden. Je bent nu hier, teruggekomen voor mij, bewust. Dan is er niets meer dat ons in de weg staat. Ik ben gek op je, ik wil niets liever dan met jou verder. De weggetrokken dikke strot maakte ondertussen een comeback. Ik wil je niet teleurstellen, geen pijn doen, ik wil niet tegenvallen, ik ben bang voor … de toekomst. Ik stok omdat je huilt. Meissie, wat is er? Haperend zeg je: “Vijf … verloren … jaren!”