Thema's

Inger

Waar is Inger? Op de plek waar ze hoort te zitten, kijkt iemand me vragend aan. “Wie?” Inger, onze Deense stagiaire! “We hebben geen stagiaire gehad de laatste tijd, laat staan een Deense.” Ik snap er niets van. Gisteren haalde ik haar op om te gaan wandelen tijdens de middagpauze, zoals we dat vaker doen. We lopen langs de bouwplaats van het nieuwe kantoor, die onze krappe tijdelijke behuizing zou vervangen, naar de kade om daar op een bankje onze lunch te nuttigen met uitzicht over het IJ. Als het regent, zoeken we een plekje in de bibliotheek, waar we op de zesde verdieping kijken hoe de stad het water opneemt en via de grachten afvoert. Je vertelt over de geschiedenis van jouw land en de invloed die Denen op Engeland hebben gehad, iets waarvan ik niets weet. Jouw blonde halflange haar zit altijd hetzelfde, alsof je het elke dag laat bijknippen en je draagt altijd die spijkerbroek met de rode broekzakken. Voor een vrouw ongewoon, misschien heb je wel meer exemplaren van dezelfde broek, die je als gegoten zit. Met je aanstekelijke lach verover je me, ik pak je hand op een middag, je kijkt me even aan, maar trekt niet terug. “Wat doe je?” Ik streel je vingers, je draagt geen nagellak, het vingerkootje van je middelvinger staat een beetje scheef. “Ongelukje,” zeg je zachtjes, terwijl je gezicht betrekt. Daarop verleg ik mijn aandacht en met de duim van mijn andere hand beroer ik je wang. Je slaat je ogen neer. Wat is er Inger? Ik ga te ver hè? “Nee, dat is het niet.”

Jij was er opeens en opeens ben je weg. Radeloos zoek ik naar je, tot vermaak van onze collega’s. “Er is geen Inger, Paul!” Ik ga terug naar mijn plek op de begane grond, waar ik de sleutels pak waarmee ik het dak op kan, waar we stiekem komen als het heel mooi weer is. “Je hebt een sprei meegenomen!” We praten en op een geven moment kussen we elkaar. Mijn zoemer verstoort de idylle en zo onopvallend mogelijk verlaten we ons geheime plekje. Neem jij de lift, dan meld ik wel dat ik hier bezig was en er aan kom. “Oké,” lach je en je haalt je hand door mijn haar. “Tot morgen!” Geen lunch gaat voorbij of we brengen die samen door. Nu blijk je verdwenen en niemand weet waar je bent. Op het dak kijk ik zinloos rond of ik je ergens zie. ‘s Avonds, als iedereen het pand heeft verlaten, ga ik terug naar je bureau en zoek naar sporen van jouw aanwezigheid. Het beeldje van de kleine zeemeermin is verdwenen. In de lades spullen van iemand anders, nergens staat je naam op. ‘Personeelszaken’, denk ik. Op de derde etage heb ik de loper nodig om bij de dossiers te komen. Alleen originele stukken zitten daar nog in, de rest is gedigitaliseerd; een mapje met jouw naam tref ik niet aan. Terug in mijn eigen kantoor zoek ik naar de melding dat er een toegangspasje voor Inger Thomsen gemaakt moest worden. Dat is er niet. Ik word gek.

Ik weet als de dag van gisteren dat ik je het pasje geef als je met de directeur langskomt om je voor te stellen. “Dit is Inger, zij komt een half jaar stage lopen, dat heet tegenwoordig een intership en ze doet ook haar minor hier, terwijl ze bij ons werkt.” “Please to meet you sir,” zegt ze en drukt me de hand. Ik vergeet mijn naam te zeggen. Tijdens het weglopen informeert de directeur Inger over mij: “Hij is een beetje verstrooid, maar een geweldige vent.” Ik hoor het en glimlach, niet vanwege zijn opmerking maar vanwege die rode lappen op haar broek. De onderbroken kus hangt rond op het dak, waar jij uithangt is me een raadsel. “Paul.” Iemand roept mijn naam. “Paul!” Ik schrik wakker en vlieg overeind. “Ik weet niet wat je aan het dromen was lieverd, maar je riep wanhopig mijn naam.”