Thema's

De jongensrang

Mijn opa liep op zondagmiddag van Presikhaaf, waar hij met oma woonde op vijf hoog in een van die vier lelijke flatgebouwen naast het weinig uitnodigende winkelcentrum, over de Paasberg naar de Lippe Biesterfeldstraat om vervolgens met mijn vader naar het stadion te slenteren. Ik was zes of zeven jaar oud en het moet zijn gaan kriebelen door het machtige geluid van duizenden juichende fans na een doelpunt voor de thuisclub of door het chagrijn op beider gezichten bij terugkomst van een hopeloos verloren match. Beide emoties zijn prachtig en opa kon heerlijk mopperen terwijl hij een sigaar opstak.

Na onze verhuizing naar een nieuwbouwwoning op 'Het Duifje' in Arnhem-Zuid, hield de gang van vader en grootvader naar Nieuw Monnikenhuize op. Het duurde een jaar voor ik het stokje overnam nadat gratis seizoenkaarten voor de jongensrang werden uitgedeeld aan leerlingen van klas vijf en zes van de lagere scholen in Arnhem. Met een stel klasgenoten fietsten ik tweewekelijks over de 'oude brug' via de Steenstraat, de Velperweg, de Raapopseweg en de Rosendaalseweg om net voor aanvang aan te komen, zodat we tussen de drukte naar binnen konden glippen, voor de sport. Als we gesnaaid werden, lieten we de seizoenkaart zien.

Mijn moeder naaide een vlag, mijn vader kwam op de proppen met drie stalen buizen die samen een tentstok maakten en omdat het fouilleren toen net zoveel voorstelde als nu in Gelredome, liep ik trots naar binnen met mijn Vitessevlag. Toen ik promoveerde van de jongensrang naar de Spijkerside, kon de vlag gewoon mee, al bleek die toen een stuk kleiner dan aan de noordkant van het stadion.

'De Rijn, de fles, de hoeren en Vites!' en 'Benny pak 'm terug!' galmden we als 11-jarigen al vrolijk mee, de toonhoogte zakte met de jaren en hield een poosje gelijke tred met de resultaten van de geelzwarten. Ik fietste van mijn school op de Braamberg naar huis rond met een gele regenjas waarop ik zelf met zwart tape de letters van mijn plakte. Eens in de week ging ik langs opa en oma, die inmiddels waren verkast naar ‘Vreedenhoff’, een bejaardenhuis met de naam van een begraafplaats.

Oma breidde een geelzwarte shawl en dito muts. Dat was nodig ook, af en toe, want van een winterstop was toen geen sprake. Toen ik zelf kaartjes ging kopen deed ik dat natuurlijk in de sportzaak van Charly Bosveld, meestal trof ik hem zelf. Na de wedstrijd pikten we onze fietsen op uit park Angerenstein en opgelaten of chagrijnig reden we terug. Ik bedenk me nu dat opa ook altijd weer terugwandelde.